Vlaamse deskundigen in Vlaamse steden

Tussen de reeds ontzielde lokale bedrijvigheid en de nieuwbouw appartementen, uniek gelegen aan het water, wachten de laatste maritiem gebonden ondernemingen op de definitieve mokerslag.  Kom op, mensen van de Opexwijk en Oosteroever, wandel mee en glimlach naar uw weldoener!  Laat je rondleiden op de nieuwe Oosteroever en aanvaard de leugen die de partij je oplegt!  Laat iedereen samenkomen en probeer te houden van elkaar!  De tijd van het ‘immobiliën kapitalisme met het menselijk gelaat’ is aangebroken!  Geen onwaarheden of hoongelach meer, vanaf nu enkel nog gouden dromen van levende visioenen en wonderlijke kristalheldere openbaringen!   Op naar de ware bevrijding van de geest: kameraden, socialisten ten laatste male, tot den strijd ons geschaard en de Internationale zal morgen heersen op aard!

 

Is het U, beste lezer, ook opgevallen dat er de laatste tijd kosten nog moeite gespaard worden om ‘de nieuwe stad aan zee’ verkocht te krijgen?  Wonen op een toplocatie, bijzondere maritieme sfeer, exclusieve woonappartementen... het zijn maar een paar voorbeelden van theatraal taalgebruik binnen een hyperbolische reclame strategie.  Hyperbolische reclame is een vorm van promotie waarin de adverteerder de kwaliteit van zijn producten of diensten op zo’n manier overdrijft dat de lezer van de advertentie beseft dat de boodschap niet letterlijk, maar met het nodige korreltje zout dient genomen te worden.  Het gaat hierbij niet meer over de gewone reclame rond het kleinburgerlijk idee van ‘het kustgevoelen’ die zich laat vertalen in het ‘appartement aan zee’.  Neen, het is het verkopen van de wens, om kost wat kost deel uit te maken van een vlakke belevingseconomie in een sfeer van grootstedelijkheid, die in werkelijkheid niets anders blijkt te zijn dan het dun laagje make-up van een vrijwel failliete badstad.

Het valt evenwel op dat naarmate de financiële motor van de stadsvernieuwing begint te sputteren, de reclame boodschappen meer en meer in overdrive gaan om potentiële kopers een ‘akte van geloof’ in het geheugen te printen.  Het is de doctrine om deel uit te maken van deze nieuwe, chique en blitse woongemeenschap op Oosteroever.  Nu alle mensen een commerciële waarde hebben, is het logisch om valstrikken te gebruiken die zo humaan mogelijk zijn.  De marketing kwakkel van de ‘nieuwe stad’ beantwoordt echter niet aan de menselijke behoefte om  een écht leven te leiden, in een échte diverse stad.  We kunnen ons dus terecht kritische vragen stellen naar het functioneren van een dergelijk droombeeld in de praktijk.  Intussen is het voor de gewone Oostendenaar, wiens hersenen functioneren, duidelijk geworden dat men via allerhande plannen deze havenbuurt aan het reduceren is tot een ‘plezierhaven’ voor residentiële appartementenbouw.  Tussen dit immobiliën geweld loopt de resterende maritieme industrie onmiskenbaar het gevaar om enkel nog als folklore gedoogd te worden. Dat is niet de schuld van de reclamejongens.  Reclamebureaus zijn nu eenmaal bedrijven van woorden.  Er mag dus best wel gelachen worden met de slechte schrijvers van pompeuze reclameslogans.  Ze hebben iets van een Engelse koldersketch, waarbij een valse dierenverkoper niet wil toegeven dat er iets mis is met zijn dode papegaai.

 

“Overal in Europa worden oude havens tot trendy wijken omgevormd waar er opnieuw plaats is voor mensen, cultuur en ontspanning. Tussen imponerende bedrijvige havens en historische stadskernen wachten oude havenbuurten, uniek gelegen aan het water, op een nieuwe toekomst.” (uit Vastgoed Update, in bijlage bij Het Laatste Nieuws)

 

Vastgoed-trompe l’oeils: wanneer de afbeelding nieuw is, is de wereld nieuw!  Zo wordt idealisering bovenop idealisering gegooid en worden elementaire vragen handig uit de weg gegaan.  Wanneer we vandaag de procedure rond de afbakening van de Oosteroever bestuderen, is het nu al duidelijk dat een gebrekkige stadsplanning voor een cultureel arme Oosteroever zal zorgen.  Maar U weet hoe dat gaat, beste lezer: een oude haven, de economische crisis, de verouderde techniek, de koppige vissers en de uitgeputte zee…  Dus vergeet maar de lokale bewoners, de dokwerkers, de maritiem verankerde ondernemingen en hun werknemers.  Mensen die iedere dag hun brood verdienen op Oosteroever.   Hun problemen zijn nu eenmaal een gevolg van de veranderende tijden en er is niets wat we er nog aan kunnen doen!  Twee zaken blijven uiterst simpel in Oostende: over het verleden praten en de toekomst voorspellen.  Woorden komen nu eenmaal erg handig wanneer de praktijk faalt.  Want zoals een man pas echt getrouwd is als hij alle woorden verstaat die zijn vrouw niet gezegd heeft, ligt de waarheid rond de ontwikkeling van deze nieuwe leefgemeenschap ver voorbij de dubbelzinnigheid van haar promotietaal.

 

Gelukkig wordt onze wereld niet gevormd door inhoudsloze reclameslogans, maar door beleidsbeslissingen die voortvloeien uit institutionele structuren.  Deze hebben het kenmerk stabiel te zijn.  Ze bieden dus waardevolle inzichten in de hedendaagse opkomende normen.  Het is niet moeilijk te zien wat de nieuwe norm op Oosteroever is.  Het heet ‘schurken aan de top’’ en het doel is macht en materiële winst.  De daarbij horende deugd: hebzucht.  Dat de ‘jongens met het grote geld’ en de politiek op Oosteroever niet over één nacht ijs zijn gegaan, is duidelijk.  Het valt op dat er in de periode 2000-2005 op gewestelijk en gemeentelijk niveau reeds ruimtelijke structuurplannen werden ontworpen (Strategisch plan Haven Oostende, dat definitief gepubliceerd werd in 2012) waarin de woonblokken op de Baelskaai reeds ingetekend waren.  De ware belanghebbenden van het gebied (met name bedrijven, bewoners en gebruikers) werden toen hierbij niet betrokken.  Zij wisten dus niet welke krachtlijnen er op dat moment boven hun hoofden werden uitgetekend.  Dit historisch feit staat in sterk contrast met het nieuwbakken initiatief van het stadsbestuur (Spa, Open Vld en CDV) rond het project ‘Stadsatelier’.  Voortaan zal een groep van ‘onafhankelijk’ experten waken over de architecturale en stedenbouwkundige kwaliteit van de strategische bouwprojecten in Oostende.  Goede bedoelingen zeggen altijd een hoop over de overige bedoelingen.  Het is dus zeer cynisch te moeten vaststellen dat juist nu de ‘zakelijke hold-up’ van de publieke ruimte op Oosteroever voltrokken is, men gaat spreken over participatie.  Dat deze zogenaamde ‘burgerlijke inspraak’ hoogstens maar een lapje tegen het bloeden kan betekenen, zien we aan de partijgebonden vertegenwoordiging van deze ‘onafhankelijke waakhond’.

 

Kaart stedelijk gebied Oostende: “Het is niet omdat er gigantische plannetjes op de websites van de bouwfirma’s staan, dat dat allemaal vlug gerealiseerd wordt”.  (Johan Van De Lanotte, Visserijblad - editie Herfst 2015).

 

De vragen van betekenis op Oosteroever zijn daarom nog steeds brandend actueel: waar waren de heren stedenbouwkundige experten toen zij echt nodig waren? Waar was de uitgetekende democratische inspraak op de verschillende bestuursniveaus? Waar was het ontwerpend onderzoek van de Vlaamse Bouwmeester? Waar was het democratisch principe van de internationale architectuurwedstrijd?  De hypocriete houding van Vlaamse experten in Vlaamse steden is eenvoudig te detecteren, wanneer we zien dat de helft van de ontwikkelingen op Oosteroever gebeurt door AWG.  Dat is nota bene het architectenkantoor van onze eerste Vlaamse Bouwmeester: Bob Van Reeth.  Maar, waar was Bob Van Reeth toen hij écht nodig was?  Waarschijnlijk gaat het in zijn geval slechts om het onschuldig kenmerk van het ‘verstrooide professor’–syndroom.  Dat is het fenomeen waarbij de man, door het feit dat hij een genie is in zijn vakgebied, veel alledaagse dingen zoals lokale werkgevers en vroegere beslissingen inzake ruimtelijke ordening gewoonweg vergeet.  Menselijk, al te menselijk niet waar? Het valt daarentegen op dat er in de ‘ruimtelijke redeneringen’ van AGW nogal wat tegenstrijdigheden binnensluipen.  Deze contradicties staan in schril contrast met de praxis van het ambt van Vlaamse Bouwmeester.  Dit is geen al te grote verrassing en zeer eenvoudig te verklaren: in dienst van het machtssysteem schikken deze experten hun professionele kennis onder aan het eigen belang.  Zo wordt de ethiek van hun ambt herleid tot politiek, beton en geld.  Het is een betrouwbare overlevingsstrategie in een politiek landschap, waar experten even snel inwisselbaar zijn als schroevendraaiers in een gereedschapskist.  Hun door en door beperkte visie van ‘een nieuwe toekomst voor Oosteroever’  klinkt binnen dit kader wel heel erg wollig.  Is het juist niet in de naaktheid van deze uitzichtloze verblijven die de badstad moeten doen herleven, maar uiteraard sociaal zullen falen, dat het cynisme van de politieke bloedschande zich openbaart?  In ieder geval scoort Bob Van Reeth er wel hoog mee op de schaal van het opportunisme.

 

Door zijn uitgesproken ligging en eigenschappen zal het een zeer gemengd, kleurrijk en levendig nieuw stadsdeel worden, met bestaand karakter en nieuwe omgeving. (AWG architecten)

 

Wie geeft wat hij heeft, is waard dat hij leeft!  Het huidige stadsbestuur kan zoveel nieuwe konijnen uit haar hoed toveren, steeds weer legt zij de onwaarschijnlijk tragische klucht bloot van de zogenaamde experten (architectenmiddens zoals AWG en Conix), stedenbouwkundigen (zoals Palmbout) en professoren Ruimtelijke Ordening (zoals Mark Martens) die niet eens het lef meer bezitten om uiting te geven aan de essentie van Stedelijke Ontwikkeling.  Is het nog verbazingwekkend dat er geen zelfreinigend vermogen binnen deze beroepsgroep te vinden is?  Dat een Tyrannosaurus Rex als Johan Vande Lanotte bereid zou zijn om zijn beslissingsmacht ten dienste te stellen van een participatief proces?  Wellicht moet dat zoiets zijn als het zoeken naar moedermelk bij een mannelijke tijger.  Integendeel, zijn honger naar macht heeft zelfs geholpen om het universeel emanciperend principe van het socialisme te verloochenen.  Het is zeer betreurenswaardig om een politieke partij, die vroeger het vehikel was van emancipatie en machtsdeelname, tegenwoordig te moeten zien als een machine voor het verdelen van baantjes in de publieke sfeer.  Zo zijn de woorden ‘duurzaamheid’ en ‘participatie’ in Oostende een schuilnaam geworden voor het gebrek aan democratie. 

Maar u weet hoe dat gaat, beste lezer: ‘Vlaamse vissers zijn geen grote vernieuwers, staan niet open voor verandering en daarom gaat het hier achteruit.’ (Johan Van De Lanotte, Visserijblad - editie Herfst 2015).  Dergelijke leugens in naam van de mensen die hun leven wagen op zee – in een imminente situatie die elk ogenblik alerte inventiviteit vergt, zijn als degene die ze oproepen: grotelijks onbeschoft, onverholen en met je klompen aan te voelen.  Het zijn slechts woorden zonder inhoud en woorden kunnen zo gegoten worden totdat ze ideeën en vermomming kleden.   Op die manier is het voor Vande Lanotte niet onmogelijk om met voldoende herhaling te bewijzen dat een vierkant in feite een cirkel is.   Opvallend hierbij is dat hij zich steeds meer gaat gedragen als een leider die beseft dat zijn rijk nu definitief voorbij is.  Schijnbaar blijft er voor hem niets anders over dan politiek te sterven in Oostende.   Wat hem vandaag nog rest is het beïnvloeden van de publieke opinie, om de verstoorde marktwerking van een autoritaire éénpartijstaat te verbergen.  Het probleem hierbij is niet zozeer de ‘legendarische’ koppigheid van de Vlaamse vissers, maar de incestueuze kliek van politieke postjespakkers rond deze machtsfiguur.  

Dit politieke klepto opportunisme wordt nergens anders beter verduidelijkt dan binnen ‘het clubje van ongenaakbare heren’ bij uitstek: het S.D.V.O. (Stichting voor Duurzame Visserijontwikkeling).   Onder het mom van duurzame visserij heeft dit ‘viskartel’, dat sinds 2003 minstens 2 miljoen euro overheidsgeld per jaar kreeg, de ontwikkeling van een écht duurzamere visserij getorpedeerd.  Al die jaren werden de fondsen en subsidies voor vernieuwing en verduurzaming van de visserij verkwanseld aan eigen favoriete en nutteloze projecten.   Onder leiding van haar voorzitter Ivan Victor, werkte dit clubje al die tijd volkomen ondoorzichtig en weigerde zij enige verantwoording af te leggen aan welke politicus dan ook.  En dit onder de bescherming van diverse toppolitici, zoals de voormalige federale ministers voor de Noordzee Johan Vande Lanotte en Renaat Landuyt, evenals voormalig Vlaams minister voor Visserij Kris Peeters.  En dat is nog maar één van die vele olifanten die rond het Visserijdok dolen, die we niet willen zien. 

Maar intussen weet U hoe dat gaat, beste lezer: ‘Vlaamse vissers zijn geen grote vernieuwers, staan niet open voor verandering en daarom gaat het hier achteruit.’ (Johan Van De Lanotte, Visserijblad - editie Herfst 2015).   Een buitengewoon brutale uitspraak steunend op het feit dat waarheden altijd onderworpen zijn aan traagheidswetten, leugens niet.  Dit met de recente verjaring van de fraudezaak rond de Oostendse vismijn in het achterhoofd. Overigens werd S.D.V.O. afgelopen zomer in alle stilte vereffend, zand erover!

 

 

Wij gaan niet zeggen hoe zij de markt moeten invullen. Wij maken het kader en beoordelen de architectuur. (Johan Van De Lanotte, Visserijblad - editie Herfst 2015).

Propaganda liegt de mensen niet voor, het helpt hen alleen om zichzelf te misleiden.  Je hoeft dus echt niet aan één of andere universiteit gestudeerd te hebben, om vast te stellen dat Vande Lanotte’s uitspraken uiterst betekenisvol zijn.  Met een beetje boerenverstand kom je ook al een heel eind. Ze verklaren immers moeiteloos de jarenlange anti-vooruitgangsstrategie op Oosteroever.  Dit toont zich onweerlegbaar in de discussie rond het gedeeltelijk dempen van het Visserijdok.  In de ‘allerlaatste’ uitgave van het Visserijblad zegt Vande Lanotte hierover: ’Het was niet meer nodig omdat andere havenpartners hun plannen wijzigden en plaats genoeg hebben. De scheepswerven daar mogen nu gerust zijn, al waren ze allemaal akkoord om te verhuizen.’  Dergelijke uitspraak van ‘grootgrondbezitter’ en ‘havenbaron’  Vande Lanotte is een knap staaltje van taalkundig bedrog.  Iedereen heeft natuurlijk zijn verhaal, maar een dergelijke uitlating doet toch wel de wenkbrauwen fronsen.  De scheepswerven op het einde van het Visserijdok bevinden zich namelijk op cijnsgronden.  Deze gronden behoren toe aan het Vlaamse Gewest en kunnen op ieder moment (onder het gemeen recht) door de bevoegde minister éénzijdig beëindigd worden.  En juist daar schuilt het addertje onder het gras, gezien het Visserijdok tot op de dag van vandaag op het Vlaamse beslissingsniveau (GRUP Afbakening zeehavengebied Oostende) nog altijd ingekleurd staat als gedeeltelijk gedempt.  Dat burgemeester Vande Lanotte hiermee een uitspraak doet buiten zijn bevoegdheid, daar schrikt niemand nog van. 

Veel breder van opzet is het feit dat de man hier laat uitschijnen dat de betrokken ondernemers zomaar akkoord waren met een mogelijke verhuis.  Door concessies voor slechts één jaar toe te kennen aan bedrijven gevestigd op cijnsgronden, wat voor een toekomstperspectief wordt er dan wel geboden aan een ondernemer?  Eieren voor je geld kiezen, me dunkt!   Vande Lanotte weet dat natuurlijk ook, maar hij kiest ervoor om dit te vertalen naar: ‘ze waren allemaal akkoord om te verhuizen’.  Laten we dus maar hopen op die betere tijden, waar iedere ondernemer die in de weg loopt van het groot kapitaal, nog centen ‘en plus’ toegestopt zal krijgen om te ‘willen’ verhuizen naar Plassendale!  Voor solide entertainment, slechts één adres: Johan Vande Lanotte, de intellectuele clown!  Een leugen blijft echter een leugen ook al gelooft er iedereen in.  Vergeet dus maar al die heruitgevonden progressieve ideeën van Vande Lanotte en zijn vazallen, hun voormalige beloften zijn vandaag slechts slaven van het geheugen geworden. 

 

Quo vadis Oosteroever?

 

Alleen feiten kunnen tot de juiste conclusies en oplossingen leiden.  Men kan dus gerust stellen dat de verloedering op Oosteroever een rechtstreeks gevolg is van de versplintering van visies en uitvoerende acties binnen de Autonome Gemeentebedrijven (AGB) van de stad.  Indien het huidig stadbestuur (Spa, Open Vld en CD&V) het écht zou menen met haar idee van het ‘Stadsatelier’, dan zou zij eerst de autocratie van haar Autonome Gemeentebedrijven moeten aanpakken.  Een dergelijk AGB holt namelijk de democratische controle van de gemeenteraad uit.    Slechts éénmaal per jaar wordt er een activiteitenverslag aan de gemeenteraad voorgelegd.  Alles wat in het AGB gebeurt, komt dus niet op de Gemeenteraad.  Een dergelijke verzelfstandiging van gemeentediensten vormt zo het ideale vehikel om belangrijke democratische beslissingsprocessen als ‘burgerlijke participatie’ uit te sluiten.  Het principe van eerst beslissen en daarna uitleggen is evenwel achterhaald.  Stads- en havenontwikkeling zonder draagvlak of rechtstreekse impactmogelijkheden voor de burger creëren, is niet langer van deze tijd. 

Wanneer we vandaag kijken op Oosteroever zien we dat een dergelijk beleid vooral onmacht uitstraalt, wat de vicieuze cirkel van negativiteit versterkt.  Het is een oude politieke cultuur die al snel leidt tot het destructief besluitvormingsproces waarop nu terecht zoveel kritiek is.  Het is tijd om verder te denken.  Een breder ideologisch kader dringt zich op en moet ruimte krijgen.  Het idee van een grotere ‘participatieve democratie’  gekoppeld aan de ‘havenwaarden’, kadert dan ook binnen de groeiende overtuiging dat alle betrokken ondernemers eveneens een grotere maatschappelijke verantwoordelijkheid op zich dienen te nemen.  Oude politieke structuren ombuigen naar ‘maatschappelijk verantwoord ondernemen’ zal niet lukken zonder hun betrokkenheid.  De vraag hierbij is echter: willen we wel de echte problemen oplossen?