De Lijn : poging tot antwoord

 

Geachte ,

Uw reactie i.v.m. bovenvermelde aangelegenheid genoot mijn volle aandacht. Eerst en vooral wil ik de term ‘tijdelijk’ verduidelijken. Het tijdelijk gedeelte van de stelplaats behelst het oprichten van een tijdelijke (container)behuizing voor het exploitatiepersoneel en een deel parkeerplaatsen ten behoeve van het personeel.

 

Dit met het oog op een gedeeltelijke ontruiming van de stationssite, teneinde de andere werken die vervat zitten in het stationsproject te kunnen aanvatten. Het gedeelte van de busstelplaats zal worden behouden en geïntegreerd worden in de volwaardige definitieve tram- en busstelplaats aan de Slijkensesteenweg. Dit werd ook verduidelijkt ten aanzien van de verschillende administraties bij de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning voor de eerste fase van de stelplaats te Oostende en tevens ten aanzien van de (externe) partijen die verzocht werden advies over te maken bij de aanvraag tot een stedenbouwkundige vergunning.

De aanvraag voor de eerste fase is verenigbaar met de huidige gewestplanbestemming (volgens Oostende Middenkust (KB 26.01.1977) “gebied voor milieubelastende industrieën”).

Betreffende het ‘negeren van de bezwaarschriften’ (zoals door de VZW Oosteroever ingediend bij het openbaar onderzoek bij de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning voor de eerste fase van de stelplaats): het bezwaarschrift werd wel degelijk in overweging genomen, gelet op de notitie en de evaluatie ervan in de afgeleverde bouwtoelating. Het bezwaarschrift werd door de stedenbouwkundige ambtenaar geëvalueerd en ongegrond verklaard hetgeen door hem omstandig werd gemotiveerd in de afgeleverde bouwtoelating.

Voor de uitbreiding in de tweede fase wordt er in de afgeleverde bouwtoelating voor de eerste fase reeds opgemerkt dat de inplanting daarvan wellicht zal worden afgetoetst aan de voorschriften vervat in het GRUP (p. 3 van de afgeleverde bouwtoelating):

Het is duidelijk dat deze verdere ontwikkelingen zullen afgetoetst worden aan de op dat moment vigerende voorschriften die wellicht zullen voortvloeien uit het afbakeningsRUP voor de zeehaven”.

Er is dus tot op heden nog geen besluit van de Vlaamse Regering betreffende het (voor)ontwerp gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan afbakening zeehavengebied Oostende (GRUP) hetgeen de bestemming van de terreinen mogelijks zou kunnen hertekenen. Tot op heden is er ook nog geen bouwtoelating afgeleverd (waarbij tot op heden, en tot zolang het GRUP nog niet voorlopig of definitief wordt vastgesteld, de aanvraag verenigbaar zou zijn met de huidige gewestbestemming).

Er is enkel een toezegging van alle betrokken partijen binnen het stationsproject om de herlokalisatie van de stelplaats te ondersteunen.

Het moet duidelijk zijn dat de stedenbouwkundige aanvraag voor de tweede fase zal afgetoetst worden aan de op dat moment vigerende voorschriften. In afwachting van de goedkeuring van GRUP blijven de huidige bestemmingen zoals ingetekend op het gewestplan van kracht.

Het dempen van het Visserijdok zou ten behoeve zijn van havenactiviteiten die zowel qua karakter als qua huidige gewestbestemming niet terecht kunnen op de site waar de stelplaats zal worden ingericht (het dempen van het Visserijdok zou gebeuren ter ontwikkeling van de RORO-activiteiten).

In het strategisch plan werd de binnenhaven (waarbinnen de terreinen zijn gesitueerd) voorbehouden voor de op- en overslagactiviteiten (bulk, stukgoed) met kleine schepen, hetgeen evenmin overeenstemt met de activiteit die men vooropstelt bij de ontwikkeling van het deels gedempte Visserijdok.

Het koppelen van beide projecten is dan ook op geen enkele manier relevant.

Ik hoop u met deze informatie van dienst te zijn geweest.

Met vriendelijke groeten

Goedgekeurd, op 18/11/2010

Roger Kesteloot

Directeur-generaal
www.delijn.be