Reacties van lezers

Locatie niet geschikt voor bewoning

 

Stuur jouw reactie, mening of idee naar Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. of gebruik ons contactformulier.

 

Henk Goddemaer:


De Oosteroever vind ik een unieke lokatie met een heel aparte sfeer.  Een sfeer die alles is behalve geschikt voor bewoning. Laat de havenindustrie daar verder zijn ding doen. Hoe simpel kan het zijn - een dok dat rechtstreeks met de zee verbonden is...  Als men vasthoudt aan de plannen om daar bewoning toe te laten, krijgen we binnenkort een shitload aan klachten over lawaai- en geurhinder. Net zoals het -voor mij- absurde idee om flatgebouwen te zetten op de Churchillkaai. Eerst veel te veel betalen voor een appartement op een weliswaar unieke ligging en daarna beginnen 'neuten' over het feit dat een haven blijkbaar havengeluiden genereert....  Zucht.

Lees meer...

Sloop Paster Pype

 Rik C.:

De sloop van de Paster Pype: Het moet mogelijk zijn de verantwoordelijken ( de schuldigen ) te vinden en ze aan de kaak te stellen. Het moet mogelijk zijn deze individuen voor de rechtbank te slepen en te laten veroordelen. In Vlaanderen hebben nog teveel beunhazen vrij spel. Sukses !

 

Lees meer...

De Oostendenaar wordt in het aangezicht uitgelachen


Vrijdag:

De Oostendenaar wordt in het gezicht uitgelachen!
Begin september werd met grote trom 'het eilandje' officieel geopend. Een extra stukje groen op de Vuurtorenwijk is altijd goed nieuws denk je dan.
We weten met z'n allen wat er zich zo’n goeie 20 jaar terug afspeelde op het stuk grond aan de Spuikom, tussen de Vicognedijk en de Bredensesteenweg (“de Sasreeke” zeg maar). Een volledige huizenrij werd onteigend voor de megalomane plannen voor de bouw van een zeesluis (toen – eind jaren ’80 – geraamd op een slordige 10 miljard BEF op amper 20 km van Zeebrugge, waar wij Oostendenaars een decennium eerder reeds méér dan 40 miljard BEF investeerden, en welke vandaag nog bijlange niet op volle toeren renderend zijn). De sluis kwam er nooit en de site van ruim 2 hectare bleef een lege plek op de kaart. Jarenlang dumpte men er puin en tijdens de recente baggerwerken in de Spuikom, stortte men er (proper?!) slib.
De onteigening ging destijds gepaard met groot protest van de Oostendenaars, en leidde tot serieuze sociale drama's. Enkele toenmalige bewoners maakten toen zelfs een einde aan hun leven, de wanhoop voorbij. In totaal werden 80 huizen met de grond gelijk gemaakt. Voor niks! Pittig detail: meer dan 4 jaar later stond er – als per toeval en als enig gebouw – nog steeds en slechts 1 (één) gebouw overeind, met als overbekende eigenaar de N.V. (familie) Baggerwerken Decloedt & Zn (“riek van ’t sliek”).
Nu, meer dan 20 jaar later is er gras gezaaid en kan men er op een bankje zitten. Natuurlijk moet dan een lintje worden doorgeknipt, en na wat trompetgeschal steekt de burgervader fier nog wat pluimen op eigen hoed. We zijn bijna 2012, weet je wel.
Maar menig Oostendenaar voelt zich in het kruis getrapt. Door het complete gebrek aan visie, planning en overleg, gecombineerd met een flinke dosis grootheidswaanzin van de beleidslui worden we nu, veel tranen, jaren en hopen weggesmeten gemeenschapsgeld later, getrakteerd op een stukje gras. Een groene schaamlap op het geknoei van destijds.

Lees meer...

Uitgeperst

Jean d’Armenonville:

Het was een warme ochtend in juli 1962. De buren uit nummer 19 hadden net een nieuwe auto gekocht.
Een zwarte. Citroen DS 19 stond er zilverkleurig op het kofferdeksel. Ik vond citroen een wel erg vreemde naam voor een auto en een zwarte bovendien. Aan de buurvrouw vroeg ik welke auto dit was. Ze antwoordde sitrowin en deed de achterdeur voor me open waar ik me neervlijde op een superzachte bank. Het was er ontzettend warm maar de geur was fantastisch. Alle vensters waren open en dit zou toch voor enige afkoeling zorgen tijdens de rit. Samen met mijn moeder mochten we mee naar de vismijn.
De auto werd gestart door een stokje achter het stuur naar links te duwen en plots ging de auto een beetje de hoogte in. Op mijn vraag hoe dit kwam was er geen antwoord. Dat was nu eenmaal zo bij een DS.
Het was heerlijk toeven op de achterbank van dit vliegend tapijt op wielen. We reden over de grote boulevard en de hele stad leek weg te vloeien in de hitte tussen de gebouwen. Het zwarte asfalt onder mij had nu plaats geruimd voor kasseien en tramsporen. We waren de stad uit en reden nu door de haven. Grote schepen met veelkleurige vlaggen en vreemde onuitspreekbare namen, hangars, depots, kades en kranen die op sierlijke en krachtige wijze grote vaten en kisten door de lucht deden zweven. Dit was een wonderlijk schouwspel van licht en schaduw. We reden de grote laan op richting vismijn. Links aan de overkant van de havengeul ontvouwde zich gekleefd op een staalblauwe lucht het scherpe silhouet van de stad die ik pas vele jaren later zou gaan ontdekken. Een groot schip gleed langzaam weg richting zee. Een dikke,zwarte nevel in de windstille ochtend bleef achter als getuige van zijn vertrek. Het was de maalboot die naar Dover in Engeland vertrok. De auto werd geparkeerd in de schaduwzone van een hangar. Mijn moeder en de buurvrouw vertrokken naar de viswinkels. Ik moest maar een beetje rondlopen en zorgen dat ik over een half uur terug was.Ik keek op mijn uurwerk dat ik van mijn grootmoeder had gekregen. Het was 10u en ik dwaalde door een enorme loods waar mannen met ruwe gezichten stilstaand rond grote manden en kisten vers aangevoerde vis een voor mij onbegrijpelijke taal uitstootten. Sommigen hadden zelfs een oorring en een tekening op hun arm. Op de zijkant van de vismijn was de loskade. Er stonden wel honderd bennen met naar lucht happende vissen. Er waren lange , dikke ,ronde en platte vissen die hun ogen hadden in hetzelfde vlak van hun staart. Vreemde soorten die enkel een boven-en onderkant hadden.
Ik kwam op de kade en ontdekte het dok waar wel 50 visserboten lagen. Bijna allemaal hadden ze een groene romp. Aan de overzijde lag er één schip met een rode romp.Die vond ik de mooiste. Alle andere schepen hadden een groene romp.Het was de O.216 en heette Henri-Jeanine, net zoals mijn nonkel en tante uit Brussel.
Helemaal in de andere hoek stond de vuurtoren. Op school hadden we er een liedje over geleerd. De Torre van Oostende. Volgens het liedje kon zelfs een blinde hem zien.
Toen weerklonk de stem van mijn moeder. We moesten terug. Ik keek nog even rond en besliste om ’s anderendaags met mijn  goede vriend terug te komen om hem deze wonderbaarlijke plek te tonen.

Lees meer...