Uitgeperst

Jean d’Armenonville:

Het was een warme ochtend in juli 1962. De buren uit nummer 19 hadden net een nieuwe auto gekocht.
Een zwarte. Citroen DS 19 stond er zilverkleurig op het kofferdeksel. Ik vond citroen een wel erg vreemde naam voor een auto en een zwarte bovendien. Aan de buurvrouw vroeg ik welke auto dit was. Ze antwoordde sitrowin en deed de achterdeur voor me open waar ik me neervlijde op een superzachte bank. Het was er ontzettend warm maar de geur was fantastisch. Alle vensters waren open en dit zou toch voor enige afkoeling zorgen tijdens de rit. Samen met mijn moeder mochten we mee naar de vismijn.
De auto werd gestart door een stokje achter het stuur naar links te duwen en plots ging de auto een beetje de hoogte in. Op mijn vraag hoe dit kwam was er geen antwoord. Dat was nu eenmaal zo bij een DS.
Het was heerlijk toeven op de achterbank van dit vliegend tapijt op wielen. We reden over de grote boulevard en de hele stad leek weg te vloeien in de hitte tussen de gebouwen. Het zwarte asfalt onder mij had nu plaats geruimd voor kasseien en tramsporen. We waren de stad uit en reden nu door de haven. Grote schepen met veelkleurige vlaggen en vreemde onuitspreekbare namen, hangars, depots, kades en kranen die op sierlijke en krachtige wijze grote vaten en kisten door de lucht deden zweven. Dit was een wonderlijk schouwspel van licht en schaduw. We reden de grote laan op richting vismijn. Links aan de overkant van de havengeul ontvouwde zich gekleefd op een staalblauwe lucht het scherpe silhouet van de stad die ik pas vele jaren later zou gaan ontdekken. Een groot schip gleed langzaam weg richting zee. Een dikke,zwarte nevel in de windstille ochtend bleef achter als getuige van zijn vertrek. Het was de maalboot die naar Dover in Engeland vertrok. De auto werd geparkeerd in de schaduwzone van een hangar. Mijn moeder en de buurvrouw vertrokken naar de viswinkels. Ik moest maar een beetje rondlopen en zorgen dat ik over een half uur terug was.Ik keek op mijn uurwerk dat ik van mijn grootmoeder had gekregen. Het was 10u en ik dwaalde door een enorme loods waar mannen met ruwe gezichten stilstaand rond grote manden en kisten vers aangevoerde vis een voor mij onbegrijpelijke taal uitstootten. Sommigen hadden zelfs een oorring en een tekening op hun arm. Op de zijkant van de vismijn was de loskade. Er stonden wel honderd bennen met naar lucht happende vissen. Er waren lange , dikke ,ronde en platte vissen die hun ogen hadden in hetzelfde vlak van hun staart. Vreemde soorten die enkel een boven-en onderkant hadden.
Ik kwam op de kade en ontdekte het dok waar wel 50 visserboten lagen. Bijna allemaal hadden ze een groene romp. Aan de overzijde lag er één schip met een rode romp.Die vond ik de mooiste. Alle andere schepen hadden een groene romp.Het was de O.216 en heette Henri-Jeanine, net zoals mijn nonkel en tante uit Brussel.
Helemaal in de andere hoek stond de vuurtoren. Op school hadden we er een liedje over geleerd. De Torre van Oostende. Volgens het liedje kon zelfs een blinde hem zien.
Toen weerklonk de stem van mijn moeder. We moesten terug. Ik keek nog even rond en besliste om ’s anderendaags met mijn  goede vriend terug te komen om hem deze wonderbaarlijke plek te tonen.


We zijn die zomer nog vele keren naar de vuurtorenwijk gefietst en hebben er fantastische dingen ontdekt.
De bunkers in de duinen, de scheepswerven en droogdokken. De netten en ankers op de kade. Onder water duikende aalscholvers en sierlijk zwevende meeuwen. Vissers die netten herstellen en tabak roken in smalle stenen pijpen. De sluizen en de wachtende bemanning op het schip. Sierlijk kronkelende olievlekken die schitterden in de felle zomerzon. Dobberend wrakhout dat ondanks de deining steeds op dezelfde plaats bleef bewegen. De eindeloze trein die traag kreunend de haven verliet en al het verkeer op de kustweg ophield.
Ik was al enkele malen op reis geweest. Naar de Ardennen, Frankrijk en zelfs eens Zwitserland met zijn mooie besneeuwde bergtoppen maar deze havenbuurt was toch wel de mooiste plek voor mij.Hier zou ik later gaan wonen.
Ik ben altijd blijven komen naar deze plek. Ik heb er leren autorijden.Gewandeld in de duinen en gevrijd in de bunkers. Gezwommen in de dokken. Gevoetbald op het veld van café Jean Bart. En pinten gedronken in café Végé. En toen heb ik de stad en deze magische plek verlaten. De rest van de wereld moest worden verkend. Gent , Brussel, Parijs, London, Berlijn, New York en nu is de cirkel rond en ben ik terug en heb de plek van mooie herinneringen opgezocht om er een woning te zoeken. Dat blijkt nu quasi onmogelijk. Volgens de buurtbewoners zal er heel veel worden onteigend en afgebroken. De aanzet is al gegeven op de kop van de Baelskaai. Een doodse vlakte waar ooit bloeiende bedrijvigheid was en waar de stad Oostende samen met een projectontwikkelaar een nieuw stadsgedeelte wil bouwen. Mensen uit de buurt hebben me de plannen en fotomontages getoond. Ik kon mijn ogen niet geloven. Zoveel lelijkheid,kortzichtigheid en arrogantie samengebracht in een gebouw dat er niet past en waar mensen die op zoek zijn naar een betaalbare woning worden weggejaagd door de enorme prijzen. Ik ben in het immokantoor eens gaan informeren. 500.000 euro voor nog geen 100M2 maar je krijgt er wel en garagebox bij want anders wordt je auto bij de minste windstoot gezandstraald. En hoe hoger je woont , hoe duurder alles wordt. Misschien gaan ze de vuurtoren uitdoven zodat de bewoners toch maar niet zouden worden gestoord door de voortdurende repetitieve lichtstralen.
Als je genoeg parvenu bent kan je er zelfs een verdiep kopen met zwembad. Ik vind dit lachen met de bevolking en met de bedrijven die er nu gevestigd zijn want zij zullen moeten opkrassen. Bepaalde bedrijven denken aan stoppen of verhuizen.Weer enkele tientallen werklozen erbij terwijl tewerkstelling in Oostende reeds een enorm probleem is. Het is eigenlijk schandalig dat een socialistisch stadsbestuur zich daarmee inlaat en dat zelfs promoot in de lokale pers. Dit luxeproject heeft niets,maar dan ook helemaal niets te maken met de ontwikkeling van een nieuw stadsgedeelte. In andere grote havensteden heeft men tenminste nog respect voor het maritieme karakter , voor de ziel van de buurt. Het wordt er aangepast en zelfs verbeterd maar hier kent men deze woorden niet. Verstand op nul en de hele buurt ontmantelen. Waar de macht (van het geld) heerst is er een gebrek aan liefde. Dit wordt een spookstad die zal worden bevolkt door het soort mensen dat zal neerkijken op de gewone man. Het soort mensen dat zal gaan klagen over het lawaai en de uitlaatgassen van de vissersboten die er nog zullen werken, over het vele zand op hun mooie terrassen, over de krijsende en schijtende meeuwen. Veilig en ver van de echte wereld zullen ze in hun toren gelukkig zijn en vol blijdschap kunnen aanschouwen hoe de anderen zullen worden verdreven naar een land dat het hunne niet meer is. Er is zelfs een plan om het visserijdok te dempen. Onwaarschijnlijk hoeveel minachting hier uit blijkt.De wraak van Poseidon zal niet zoet zijn maar zilt.
Ik ben woedend en triest omdat ik maar niet kan vatten wie dit heeft bedacht. Ik denk dat de hele machine hierachter lijdt aan het Peter Principe. Hierover staat trouwens een mooie uitleg op Wikipedia.
Maar er is nog een beetje hoop want in heb via internet kennis gemaakt met jullie vzw die zich verzet tegen dit ondoordachte plan en er zijn verkiezingen.
Weg met dit megalomaan project en hopen op een echt leefbare en levendige buurt.